Herinneringen aan Willem Oltmans
Soms word ik overvallen door herinneringen uit mijn leven. Vannacht bijvoorbeeld kwam ineens de ontmoeting voorbij die ik ooit had met Willem Oltmans, de journalist, die het in Nederland wist te schoppen tot persona non grata.
Aanleiding tot het gesprek met Oltmans was mijn afstudeerscriptie voor de School voor de Journalistiek in Tilburg. Van dat slotstuk wilde ik iets bijzonders maken. Uitgangspunt: het imago van de journalist, door de ogen van de journalist. Oltmans leek me daarvoor bijzonder geschikt. Een gevaarlijke keuze overigens, want het was vloeken in de (vuurrode) docentenkerk om juist deze luis in de journalistieke pels te interviewen. Het had me zomaar mijn diploma kunnen kosten. Rebels als ik was, liet ik me daardoor niet tegenhouden. Het werd de dag van mijn leven, ook al was de start ietwat ‘moeizaam’!
“Je hebt toch geen vuile poten, hè?”, was het eerste wat ik hoorde op de voor Oltmans kenmerkende manier van praten, toen hij de deur voor me opendeed van zijn riante Amsterdamse appartement. Nog voordat ik zijn vraag kon beantwoorden, werd ik overvallen door zijn opmerking dat ik véél te vroeg was. “We hadden om half twee afgesproken”, mopperde hij pissig als hij was omdat hij op dat moment nog bezig was met het schrijven van een nieuw hoofdstuk voor zijn zoveelste dagboek. Hij had gelijk, ik was te vroeg: twee minuten.
“Loop maar rechtdoor, naar de woonkamer. Ik kom er zo aan.”, vervolgde hij. Eenmaal in het vertrek aangekomen, hoorde ik vanuit zijn werkkamer de ene ‘godverdomme’ na de andere. Wat bleek: door mijn komst had Oltmans vergeten zijn werk op te slaan op de computer. Daardoor was hij het hoofdstuk waaraan hij bezig was, volledig kwijt. Bulderend kwam hij de woonkamer binnen. Het was volgens hem allemaal mijn schuld.
Ik voelde dat ik op een kruispunt stond: laat ik alles slaafs over me heen komen of neem ík nu de regie in handen? Ik koos voor het laatste. Maar dan wel op zijn manier, namelijk door hem al even bulderend wijs te maken dat ik niet was gekomen om zo behandeld te worden. Het bleek een schot in de roos, want hij draaide om als een blad aan de boom. Kennelijk had hij mij eerst willen testen om erachter te komen wat voor vlees hij in de kuip had. Het voelde alsof ik nu was ‘goedgekeurd’.
Het werd een bonte middag, want hoewel ik toch echt gekomen was om Oltmans’ imago te doorgronden, kwamen de toenmalige minister van Buitenlandse Zaken, Joseph Luns, en het stempel van ‘landverrader’ dat Oltmans kreeg vanwege zijn opvattingen over de overdracht van Nieuw-Guinea, veelvuldig ter sprake. Ook een aantal leden van het Koninklijk Huis passeerde de revue. En niet allemaal op een sjovele manier. Oltmans bleek een wandelende encyclopedie die allesbehalve een blad voor de mond nam. Of ik wilde of niet, ik hing – figuurlijk – aan zijn lippen. Hij had en wist zoveel te vertellen. Maar ja, dat imago. Zijn imago. Hoe zat het daar nu mee?
Elke vraag in die richting probeerde hij zorgvuldig te omzeilen, bang als hij kennelijk was om het beeld dat men van hem had – een compleet ongevoelige onruststoker die het bloed onder je nagels vandaan kon halen – in gruzelementen te zien vallen. Aan alles voelde je dat juist zijn zorgvuldig opgebouwde imago hem heilig was. Daar deed hij alles voor, zo leek het. Zijn onbeschofte gedrag tijdens de eerste minuten van mijn bezoek aan hem, bevestigde dat nog maar eens. “Nogmaals, ik heb geen gevoel”, snauwde hij me toe, toen ik nog één keer probeerde om terug te komen op zijn imago. Zonder het zelf te beseffen, gaf hij daarmee de opmaat naar zijn ongelijk. Dat bleek toen hij uiteindelijk vol trots zat te vertellen hoeveel het voor hem betekende dat hij ‘Man van het Jaar’ was geworden bij Barend en Van Dorp. “Dat deed me wat.”, sprak hij vol trots in zijn ogen.
“Dus toch gevoel…”, sprak ik hem glimlachend toe, waarna hij mijn opnameapparaatje uitzette en er vervolgens een blik van verlegenheid op zijn gelaat verscheen. Nog altijd ben ik er trots op dat ik Willem Oltmans heb mogen ontmoeten. De échte Willem Oltmans.