Vrienden? Nee, bedankt.

 

 

Onlangs kreeg ik van iemand een reactie op een column die ik schreef. ‘Met jouw schrijfwijze maak je weinig vrienden’, werd me verteld. Zelfkritisch als ik ben, vroeg ik mij natuurlijk af waar ik dan de fout was ingegaan. Had ik alle studenten die compensatie willen voor hun studielening beledigd door te zeggen dat ik dat prima vind, maar dan wel nadat al het voor hun studie bedoelde geld dat ze hebben opgemaakt aan drank en pilletjes eerst met ze wordt verrekend? Nee, dus.

 

Kwam het omdat ik zou hebben gezegd dat schuldhulpverlening wat mij betreft een prima instrument is voor mensen die die hulp echt verdienen, maar dat het soort dat zogenaamd geen nagel heeft om aan zijn of haar kont te krabben maar wel in staat is om een televisie van 2 bij 4 meter te kopen, of één of meerdere veelvraten van (vaak valse) honden uit het duurdere segment weet aan te schaffen en wekelijks voor tientallen euro’s aan rookwaren in huis (en longen) haalt, het zelf maar moet uitzoeken? Nee, dus.

 

Had ik misschien gerept over mijn groeiende ergernis omtrent mensen die er willens en wetens een behoorlijk ongezonde levensstijl op na houden en vervolgens schaamteloos en zonder enig schuldgevoel de door ons allen duurbetaalde zorg misbruiken als het weer eens niet zo lekker met ze gaat? Nee, ook dat was het geval niet, hoe graag ik dat soort figuren ook een enorme schop onder hun asociale kont zou willen geven.

 

Lag het antwoord dan in de politiek? Eerlijk is eerlijk, alles wat links is geef ik graag met enig cynisme een verdiende rechtse directe. Dat zie ik eerder als maatschappelijke betrokkenheid. Dat ik daarnaast D66 steeds verwar met sprookjespark De Efteling, is ook geen reden. Ze lijken tenslotte zo ontzettend op elkaar. Hoewel, bij De Efteling weet je altijd hoe de sprookjes aflopen. Bij D66 is het maar net hoe het ze die dag uitkomt. Én, niet te vergeten, de sprookjes hebben in de meeste gevallen een goede afloop. Een stem op D66 niet.

 

Mij restte niets anders dan er nog eens over na te denken of ik eigenlijk wel vrienden wilde hebben. Daarbij hield ik de wijze woorden van collega filosoof Aristoteles in gedachten: ‘Wie veel vrienden heeft, heeft geen vrienden.’ En ja, iemand die al eeuwen voor de geboorte van Jezus kon uitleggen wat de zwakke schakel van Facebook is, neem ik bloedserieus.

 

Mijn conclusie was, is en blijft daarom duidelijk: voor mij géén vrienden. Daar kan ik heel goed mee leven. Al is het maar omdat hypocrisie aan mij niet besteed is. Maar dat zal bij u niet anders zijn, toch? En anders: even goede vrienden.