Vijftien jaar lang waren ze onafscheidelijk van elkaar, Douwinus en Mira. Hij, een grote, ietwat mank lopende man met een baard die nooit echt de groei had kunnen vatten. En zij? Zij was klein, had een spitse neus en opvallend lang, krullend haar dat altijd voor haar ogen hing.

 

Nooit sloegen ze een wedstrijd van hun ‘foebalcluppie’ over. Bij al die wedstrijden liep Mira steevast met een door Douwinus’ moeder gehaakte sjaal in de kleuren van de club. In het begin werd er nog wel eens gelachen om het tweetal. Maar naarmate de tijd verstreek werd het respect voor het duo groter, te meer omdat ze zich in weer en wind waagden om maar niets te missen van de verrichtingen van hun ‘helden’ op de groene mat. En nu? Nu konden de mensen in de kantine alleen nog maar herinneringen ophalen aan dat zo opvallende stel, want Mira was niet meer. Zij was vertrokken naar een plaats waar de voetbalvelden altijd groen en de supporters immer sportief waren.

 

Iedereen kon zich die ene keer nog herinneren dat Mira zich niet langer wist te beheersen en het veld op vloog om een speler van de tegenpartij eens flink te grazen te nemen. Men nam het Douwinus destijds behoorlijk kwalijk dat hij haar niet had kunnen tegenhouden. Douwinus daarentegen, vond het wel komisch en liet Mira daarom dan ook haar gang gaan.

 

En wat te denken van die keer dat Mira een poging ondernam om er vandoor te gaan met de door een trotse sponsor geschonken bal. Toen konden de supporters wel huilen. Nu zaten ze er in de kantine smakelijk om te lachen. Een ding was zeker. Het ‘vertrek’ van Mira was nog maar een goede week geleden, maar ze misten haar nu al.

 

Na enige tijd maakte Douwinus zijn opwachting in de kantine. Moederziel alleen. Zijn eeuwige glimlach was veranderd in een troosteloze blik. Zijn altijd optimistische stemgeluid was gereduceerd tot een diep stilzwijgen. De in de kantine aanwezige medesupporters keken elkaar aan. Ze hadden allemaal dezelfde gedachte: ‘Douwinus jongen, vind gauw een nieuw maatje, want zo kan het niet langer.’

 

Ze hadden gelijk, want …Douwinus zonder zijn hondje was als een beeldbuis zonder beeld. Koud, stil en donker.