Soms wil ik een column schrijven, maar loop ik meteen vast. Niet, omdat ik niet weet waarover ik wil schrijven. Integendeel, er borrelt altijd wel iets in me op. En anders komt er wel weer een of ander onderwerp op mijn pad. Dat is het punt dus niet. Het probleem zit ‘m eerder in de vraag hoe ik het beste kan beginnen. Dat geldt ook voor deze bijdrage. Ik zal het u uitleggen.
Een column schrijven beschouw ik als koken. Je wilt een gerecht op tafel zetten waar menigeen zijn vingers bij aflikt. Belangrijk zijn dus de ingrediënten, evenals de volgorde waarin die toegevoegd moeten worden. De ingrediënten die ik deze keer wil gebruiken zijn:
- De website van Stichting Lezen, waarop te lezen valt hoe belangrijk lezen is;
- Een uitspraak van schrijver Lévi Weemoedt: ‘Ik heb een afkeer van mensen die literatuur belangrijk vinden. Literatuur begint waar plezier ophoudt.’;
- Het feit dat ik literair gezien in mijn prille jeugd nooit verder gekomen ben dan de eerste tien pagina’s van De negerhut van oom Tom, omdat het voor mij toen al duidelijk werd dat het lezen van boeken niet aan mij besteed was;
- Mijn algemene gesteldheid, en hoe dat mij en mijn leven(shouding) heeft veranderd;
- Een niet voor de hand liggend slotakkoord.
Kortom, ga er maar aan staan. De hamvraag daarbij: welk ingrediënt gooi ik als eerste in de pan?
De uitspraak van Weemoedt en mijn gevoel van weerzin omtrent het lezen van boeken, kunnen wat mij betreft gecombineerd in de pan gedaan worden. Hetzij bij aanvang van de bereiding dan wel halverwege.
Mijn algemene gesteldheid wil ik, net zoals het niet voor de hand liggende slotakkoord als laatste toevoegen. De website van Stichting Lezen blijft dus over. Op welk moment moet ik dát ingrediënt in godsnaam in die pan die laptop heet, laten meekoken?
Om antwoord te krijgen op die vraag (en om eindelijk een begin te kunnen maken met het schrijven van dit stukje), heb ik zojuist nog maar even een kijkje genomen op de site van Stichting Lezen. Mijn keus daarbij viel op de pagina met de kop ‘Waarom doet lezen er toe?’ Al na het lezen van de eerste alinea begon ik te twijfelen of ik deze component wel in mijn gerecht wilde hebben. Was het brein achter de tekst wellicht een wereldvreemde D66’er (oeps, pleonasme)? Op zich geen gekke gedachte, want zeg nou zelf, ooit een D66’er iets zinnigs horen zeggen? Of stond er niet wat ik wilde lezen?
Naarmate ik verder las op de site van Stichting Lezen en mezelf spiegelde aan de tekst, werd me duidelijk hoe beroerd het met me gesteld is:
- Mijn mate van sociaal functioneren is twijfelachtig te noemen;
- Ik heb een achterstand als het gaat om inlevingsvermogen;
- Ik heb minder begrip voor anderen;
- Ik kan moeilijker nieuwe contacten leggen;
- Mijn woordenschat en taalvaardigheid nemen blijvend af als gevolg van te weinig lezen;
- Mijn sociaal-emotionele ontwikkeling is te weinig gestimuleerd;
- Ik vertoon vaker risicohoudend gedrag én, last but not least…
- Ik ben minder gezond.
Concluderend kun je zeggen dat het ingrediënt Stichting Lezen, wat mij betreft een vieze smaak oplevert en dus niet wordt toegevoegd aan mijn gerecht. Ik heb het nu eenmaal niet op mensen die enerzijds anderen als Untermensch neerzetten, en anderzijds alle niet-lezenden onder ons om de oren slaan met alle symptomen die suggereren dat er overduidelijk sprake is van een stevige portie autisme. Tegelijkertijd heeft het me wel de ogen geopend. Zeker als ik kijk naar punt 8 van de opsomming: minder gezond. Ik weet nu hoe ik destijds die verrekte darmkanker heb opgelopen:
ik heb in mijn leven te weinig gelezen!