
Enige tijd geleden las ik in het Algemeen Dagblad een interview met Bibi van de Loo, een slimme jonge meid die geboren is met een schisis. In het vraaggesprek werd ingegaan op de lange (lijdens)weg die mensen met een open lip (en vaak ook een open verhemelte) moeten afleggen als het gaat om operaties en dergelijke.
Wat mij onmiddellijk opviel, was dat Bibi er geen enkele moeite mee had om het woord schisis te vervangen door – ik krijg het bijna niet uit mijn strot – het woord hazenlip. De reden waarom ik persoonlijk een bloedhekel heb aan dat woord, vloeit voort uit het feit dat mijn jongste zoon óók geboren is met een schisis en ik meegemaakt heb hoeveel ‘lol’ anderen daar om kunnen hebben; daarbij dankbaar gebruikmakend van dat nare woord, uiteraard.
Wat ik me ook maar niet kon voorstellen, was hoe je jezelf kunt vergelijken met een dier. Een knaagdier in Bibi’s geval. Ik kon het dan ook niet laten om haar een mailtje te sturen en eens te vragen of het dan ook aanvaardbaar zou zijn om tegen mensen met een dikke kop te zeggen dat ze een varkenskop hebben. Of dat aan mensen met een enorm groot gebit en een overmaat aan tandvlees een paardenkop – oeps, paardenhoofd – mag worden toegedicht.
Al snel kreeg ik een mailtje terug waarin Bibi haar opvattingen over dat (scheld)woord en de vergelijking met het dierenrijk nog eens uiteen zette. Duidelijk was dat zij er mee kon leven. Wie was ik dan om haar verder nog op een andere gedachte te brengen. Tegelijkertijd gaf ze aan heel goed te begrijpen dat het niet voor iedereen vanzelfsprekend is om dat ene woord te gebruiken. Ze begreep ook heel goed dat ik nooit van mijn leven een fysieke aandoening zou vergelijken met een lichaamsdeel van een dier.
Maar… als ik inmiddels iets geleerd heb, dan is het dat je dus écht het woord ‘nooit’ nooit moet gebruiken. Een bezoek onlangs aan Berlijn maakte me dat duidelijk. Daar rondstruinend kwam ik ze tegen, de een nog erger dan de ander: meiden met een gekunstelde kont waar een Belgische knol de hik van krijgt. Maar ook meiden met lippen die zó opgespoten waren dat ze de indruk wekten dat ze waren aangevallen door een enorm grote zwerm Aziatische hoornaars.
Enerzijds was het lachwekkend hoe die mutsen een karikatuur van zichzelf wisten te maken. Anderzijds voelde ik weer die boosheid die ik ook steeds voelde wanneer mijn zoon weer eens getreiterd werd vanwege zijn uiterlijk. Hij kon er niets aan doen dat ie niet de perfecte mond had, en dus ook maar een mens was. Zij betaalden er daarentegen voor om er als een gemankeerd buitenaards wezen uit te zien. Voor mij maakte die aanblik nog maar weer eens duidelijk dat de uitdrukking ‘wie mooi wil zijn, moet pijn lijden’ toch echt op meerdere manieren uit te leggen valt. Maar ook dat al die mensen met een schisis gewoon mooie mensen zijn, in tegenstelling tot de genoemde karikaturen.
Mij rest niets anders dan Bibi mijn nederige excuses aan te bieden omdat ik niet meeging in haar denkwijze. Ja, ik ben om. Ik ga nu ook fysieke aandoeningen vergelijken met dieren, waarbij ik mij voorlopig alleen richt op het diklip-tuitmondjes-milieu. En ja, ik weet al exact welke diersoorten ik in gedachten heb. Ik weet ook om welk lichaamsdeel het gaat: de hersenen. En als ik trouwens dan toch bezig ben met excuses aanbieden, dan bied ik deze tegelijkertijd aan, aan de diertjes waar ik op doel. Het spijt me dat ik jullie zo ontzettend veel te kort doe door jullie te vergelijken met de genoemde diklipdames, maar ik kon gewoon geen ander dier vinden dat dichter in de buurt kwam.
Welke dieren ik voor ogen heb? Gewoon even hier klikken.
