Als er een maand is waarin creativiteit zich van mij meester maakt, dan is het wel december. Dan wil ik gedichten schrijven. Ik heb het dan niet over gedichten waarvan we uit angst voor de literaire elite in Nederland net doen alsof we ze begrijpen, terwijl we in werkelijkheid het spoor al bijster zijn bij de tweede regel. Spaar me!

 

Ik heb het dan ook niet over sinterklaasgedichten, want daar waag ik mij sowieso niet aan. Voor je het weet word je aangeklaagd wegens verheerlijking van het kolonialisme of het opzettelijk in stand houden van eeuwenoude Nederlandse tradities en eisen ze volop excuses en heel veel geld. Nee, ik heb het over versjes met een beetje humor of een relativerende knipoog. Gedichtjes ook, die laten zien dat de tijden weliswaar veranderen, maar de achterliggende boodschap niet.

 

Mijn favoriete dichtthema tijdens de decembermaand is – hoe kan het ook anders – Kerstmis. Daar heb ik wat mee. Dat komt deels omdat die periode voor een hobbydichter zoals ik alles in zich heeft om poëtisch beschreven te worden. Ik word dan midden in de nacht wakker waarna er ineens allerlei versjes door mijn hoofd schieten over bijvoorbeeld het kindeke Jezus, de drie wijzen uit het oosten, maar ook de kerstkalkoen. Ter illustratie een paar voorbeelden:

 

Drie koningen

Zij volgden een lichtspoor, door een ster uitgezet.

Tegenwoordig gaat dat anders, men kijkt eerst op internet.

————————————————————————————

Stilstaan

Even stilstaan bij de vrede en het Kindeke van toen.

Maar al te lang mag dat niet duren, anders blakert mijn kalkoen.

————————————————————————————-

Maar ook de tijd dat ik verplicht deel uitmaakte van de katholieke geloofsgemeenschap is nog altijd een bron van inspiratie voor me. Althans, met kerst. Met name de met pracht en praal omklede nachtmis spreekt me aan, om de eenvoudige reden dat het kerstverhaal en de bijbehorende liederen mij rust geven en tot nadenken stemmen. Helaas wordt mijn aanwezigheid tijdens zo’n mis mij niet altijd in dank afgenomen. Er was zelfs ooit een bezoeker die vond dat ik schijnheilig was omdat ik alleen voor de nachtmis naar de kerk ging. Als door een wesp gestoken, produceerde ik vervolgens het onderstaande gedichtje:

 

Schijnheilig

Eenmaal per jaar, een dag voor kerst, ga ik naar de mis.

Ik zie het al, zegt u het maar dat dát schijnheilig is.

Maar ook ieder jaar, zo vlak voor kerst, tijdens die nachtelijke mis,

kijk ik om mij heen en vraag me af wie er het schijnheiligst van ons allen is.

 

Pas later realiseerde ik me dat het gedichtje voortborduurde op een collegiaal etentje van een paar duizend jaar geleden, bij Van der Valk naar ik meen, waarbij iemand ons iets aan het verstand probeerde te brengen. Had iets met Jezus, Judas en ‘wie zonder zonde is, werpe de eerste steen’ te doen, geloof ik. De tijd mocht dan veranderd zijn, de boodschap niet. Die zal in welke vorm dan ook voor altijd blijven bestaan. Al is het maar omdat hypocrisie ons allemaal aangaat. Maar ach, dat hoef ik ú vast niet te vertellen, toch?

 

Fijne feestdagen en een gezond en woke-vrij 2025.